Gebruikelijke methoden om kinderen te laten meewerken

Er waren tijden dat mijn eigen kinderen mij zagen als de vijand, degene die hen altijd dingen wilde laten doen die ze zelf niet wilden. Vaak zei ik: ‘Was je handen’, ‘Gebruik je servet’, ‘Praat eens wat zachter’, ‘Hang je jas op’, ‘Heb je je huiswerk af?’, ‘Weet je zeker dat je je tanden hebt gepoetst?’

Ik was ook degene die ze verbood om dingen te doen die ze wilden doen: ‘Niet met je vingers eten’, ‘Niet tegen de tafel schoppen’, ‘Niet met modder gooien’, ‘Niet op de bank springen.’
De kinderen reageerden meteen met: ‘Ik bepaal zelf wel wat ik doe.’ En ik reageerde onmiddellijk met: ‘Jullie doen zoals ik het zeg’, en dan brak de strijd pas echt los.
Het ging zelfs zo ver dat ik pijn in mijn buik kreeg als ik mijn kind iets moest vragen, ook al was het nog zo iets simpels.

Hoe proberen ouders hun kinderen te laten meewerken en hoe voelen en reageren kinderen op de gebruikelijke methoden om hen te laten meewerken?

Verwijten en beschuldigen
‘Kun je nou nooit eens normaal doen? Hoe vaak moet ik je nog vertellen dat je de deurknop moet gebruiken? Je luistert gewoon nooit.’

Kind denkt: ‘Je zegt dat ik nooit luister, dus dat doe ik ook nooit meer.’ Of: ‘Ik ga gewoon liegen en zeg dat ik het niet heb gedaan.’

Een etiket plakken
‘Je kamer ziet eruit als een zwijnenstal, wat ben je toch een ontzettende viespeuk.’
‘Het vriest en jij draagt een dunne jas! Hoe kun je nou zo dom zijn? Denk eens na, zeg!’

Kind: ‘Ze heeft gelijk, ik ben een viespeuk, waarom zou ik me nog inzetten?’ Of: ‘Ik zal haar krijgen, volgende keer doe ik helemaal geen jas aan’.

Dreigen
‘Als je nog een keer die vaas aanraakt dan zwaait er wat’.
‘Ik tel tot drie en als je dan nog niet klaar bent, dan ga ik zonder je weg!’

Kind: ‘Ik raak de vaas aan als ze niet kijkt.’ Of: ‘Ik ben bang.’ Of: ‘Laat me met rust’. Of: ‘Je bluft, je gaat toch niet zonder mij weg’.

Commanderen
‘Ik wil dat je je kamer opruimt, NU!’
‘Heb je nou nog steeds de vuilniscontainer niet aan de weg gezet. Ik wil dat je het meteen doet!’

Kind: ‘Ik doe het wanneer ik dat wil, dus zeker niet nu.’

Preken en moraliseren
‘Dat is mijn boek, dat kun je niet zomaar pakken. Ik kan wel merken dat je geen idee hebt hoe belangrijk goede manieren zijn. Als we willen dat mensen beleefd tegen ons zijn, dan moeten wij dat ook tegen hen zijn, dat moet je goed begrijpen. Jij zou toch ook niet willen dat iemand zomaar iets van je pakt? Dan moet jíj dat dus ook niet doen.’

Kind: ‘Bla, bla, bla, wie luistert hier eigenlijk naar?’ Of: ‘Gaap, gaap.’

Slachtoffer
‘Willen jullie nu eens ophouden met dat geschreeuw? Moet ik soms een hartaanval krijgen?’
‘Ik word hier zo moe van!’

Kind: ‘Ik voel me schuldig.’ Of: ‘Het komt door mij dat ze zo doet.’ Of: ‘Heb je haar weer!’

Waarschuwen
‘Voorzichtig, zo word je nog door een auto gegrepen!’
‘Doe je trui aan anders word je misschien ziek.’

Kind: ‘De wereld is eng, gevaarlijk.’ Of: ‘Wat kan mij dat nou schelen?’

Vergelijken
‘Waarom lijk je niet wat meer op je broer? Die heeft zijn huiswerk wel altijd op tijd af.’
‘Lisa kan zo netjes eten; ik heb haar nog nooit met haar vingers zien eten.’

Kind: ‘Hij ook altijd.’ Of: ‘Die stomme trut!’ Of: ‘Ze houdt meer van haar dan van mij.’

Sarcasme/cynisme
‘Je weet dat je morgen een boekbespreking hebt en je laat je boek op school liggen? Nou, dát is slim zeg, echt een briljante zet!’

Kind: ‘Ja, zie je wel, ik ben dom’, ‘Ze houdt me voor de gek. Wat gemeen.’

Profeet
‘Als jij zo doorgaat wil niemand met je spelen.’
‘Jij kunt ook alleen maar anderen de schuld geven van je problemen. Het ligt nooit aan jou. Als jij zo door gaat worden je problemen alleen maar erger, en de enige persoon die je dat kan aanrekenen ben jezelf.’

Kind: ‘Ze heeft gelijk.’ Of: ‘Ik ben heus wel te vertrouwen. Ik zal bewijzen dat hij ernaast zit.’

Deze manieren ondermijnen het zelfbeeld van een kind en knagen aan het zelfvertrouwen. Zijn er manieren waarop we kinderen kunnen uitnodigen tot coöperatief gedrag, zonder dat we hun eigenwaarde aantasten of ze opzadelen met negatieve gevoelens? Gelukkig zijn er andere, makkelijker methodes die een minder zware tol van ouders eisen.

7 vaardigheden die uitnodigen tot coöperatief gedrag:

Beschrijf wat je ziet of beschrijf het probleem
Geef informatie
Geef een keuze
Zeg het met één woord
Omschrijf wat jij voelt
Schrijf!
Gebruik humor

Niet elke vaardigheid werkt bij elk kind. Niet iedere vaardigheid past bij jou. En er is geen enkele vaardigheid die constant effectief is. Maar deze zeven vaardigheden zorgen wel voor het benodigde respect waardoor de wil tot samenwerken toeneemt.

Dit vind je wellicht ook interessant

Ruzie tussen broers en zussen

Zelfvertrouwen stimuleren

Mijn kind luistert niet!

Baas over eigen lijf. Zo leg je dat uit

Alle gevoelens accepteren

Omgaan met driftbuien

10 manieren om kinderen te (bege)leiden zonder straf! Hoe dan?